Fractional sailing is niet het geven van gelegenheid tot sportbeoefening

Nino Arzini, JPWHT Becks

Research output: Contribution to journalCase noteProfessional

Abstract

De activiteiten van belanghebbende betreffen ‘fractional sailing’, het op basis van een jaarabonnement tegen vergoeding ter beschikking stellen van zeiljachten. De abonnementsprijs omvat de kosten van onder meer havengeld, verzekering, onderhoud en reiniging. Belanghebbende zorgt ook voor de veiligheidsmiddelen aan boord en biedt hulp. Een abonnee kiest op welke dagen hij wil varen en hoeft verder niets meer te regelen. Belanghebbende huurt voor de jachten vaste ligplaatsen in twee jachthavens. Zij heeft steeds OB voldaan naar het algemene tarief. In geschil is of haar diensten kunnen worden aangemerkt als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening, zodat het verlaagde tarief van toepassing is.

De rechtbank stelt vast dat de prestaties van eiseres niet enkel zien op het ter beschikking stellen van de jachten. Een abonnee betaalt voor het totaalpakket, ongeacht of hij niet of minder vaak dan volgens het contract mogelijk is, kan gaan varen. Het gaat dus om een samengestelde prestatie die als zodanig niet kan worden gerangschikt onder post b.3 of een van de andere posten van tabel I behorende bij de Wet OB 1968. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar diensten (deels) bestaan uit het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie én dat dit zodanig overheersend is dat haar totaalprestatie om die reden onder het verlaagde tarief kan worden gerangschikt. Omdat de jachten geen onroerende zaken zijn en dus geen sportaccommodatie en omdat belanghebbende niet over een eigen accommodatie aan de wal beschikt, kan de terbeschikkingstelling van de jachten op zichzelf niet worden beschouwd als het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Belanghebbende is door de huur van de ligplaatsen niet (mede)exploitant geworden van de jachthavens. De vaste ligplaats acht de rechtbank ook van ondergeschikt belang. Indien al een overheersend element zou kunnen worden onderscheiden, betreft dat het kunnen varen met het specifieke jacht.

Aangezien belanghebbende steeds aangifte heeft gedaan naar het algemene tarief, heeft zij niet gehandeld overeenkomstig het door haar gestelde gewekte vertrouwen. Het vertrouwensbeginsel is daarom niet geschonden. Aan het gegrond verklaren van het bezwaar tegen de voldoening op aangifte voor een kwartaal kan geen vertrouwen worden ontleend, omdat dat berustte op een misverstand.

(Beroepen ongegrond.)
Original languageDutch
Article number2410
JournalNederlands Tijdschrift voor Fiscaal Recht
Volume2021
Issue number29-30
Publication statusPublished - 29 Jul 2021

Court cases

Date of judgement6/05/21
ECLI IDECLI:NL:RBDHA:2021:5624

Cite this